Congoforum Congoforum


Actualiteit
Analyse en reflexie
Samenwerking
Economie
Fiche over Congo
Fiche over België
Ontwikkeling
Interviews
Links

print

Nieuwstelex

Het Congolese verleden van Umicore


Honderd jaar geleden bouwde een handvol kosmopolitische Belgen een wereldbedrijf uit de rode aarde van Katanga. Van Union Minière du Haut Katanga blijft in Afrika een schim over. Maar die Afrikaanse saga is de fundering van een Belgische multinational die materialen voor laptops en gsm's levert.

Technologisch vernuft 1892-1906: prospectie in Katanga 1906-1918: de pioniers op de fiets 1918-1929: gegokt en gewonnen 1930-1944: uranium voor atoombom 1945-1960: investeren in moderne fabrieken 1960-1966: oplopende spanningen.

Met Thomas Leysen kwam in de jaren negentig een dynamische generatie visionairen aan het roer van de materialengroep Umicore. Het stof en zelfs de rijke ondergrond van de Katangese savanne laat die jonge ondernemers Siberisch koud. Hun toekomst ligt bij nanotechnologie.

Maar de kiemen van Umicore, als innovatiebedrijf en ontluikende multinational, liggen bij Union Minière du Haut Katanga (UMHK), een van de meest ambitieuze dochters van de Generale Maatschappij van België. Het mijnbedrijf in het zuiden van Congo stond bekend als een technologische vernieuwer. UMHK ontwikkelde in de jaren dertig hydrometallurgische kopertechnologie en was een pionier in kobaltmetallurgie. Société Générale Métallurgique de Hoboken, waar de mineralen uit Congo geraffineerd werden, nam in de jaren twintig (door samenwerking met de Franse Nobelprijswinnaars Pierre en Marie Curie) het voortouw in kankerbestrijding met radium en uranium uit de Katangese uraniummijn van Shinkolobwe.

Société Générale Métallurgique de Hoboken was al vroeg internationaal bekend om zijn nieuwe industriële toepassingen met koper, germanium, silicium, tantalium, nobium en andere edele metalen. Er loopt ook een directe lijn van Shinkolobwe naar UMHK en Hoboken voor de ontwikkeling van BelgoNucléaire en de Belgische atoomcentrales in de jaren vijftig. En Katanga was de springplank voor de latere wereldexpansie van de Generale-dochter naar Iran (Sogemiran), Canada (Umex), Australië, Spanje en de Verenigde Staten. Nadat het Afrikaanse epos in 1966 abrupt was afgebroken.

De oprichters van UMHK - na 1966 omgedoopt tot Union Minière en in 2001 tot Umicore - belandden in de Afrikaanse savanne nadat ze in China grootse infrastructuurprojecten hadden uitgevoerd. Met visie en lef trokken kosmopolitische persoonlijkheden zoals Jean Jadot, Emile Francqui en Edgar Sengier in het begin van de vorige eeuw een wereldtopbedrijf op uit de rode aarde van Katanga. Toen UMHK in 1966 werd genationaliseerd, stevende het af op een koperproductie van 500.000 ton.

Tegen die tijd had het mijnbedrijf investeringsprogramma's lopen van 25 miljoen euro per jaar. Uit autofinanciering. Jaarlijks pompte UMHK 75 miljoen euro in de Congolese staatskas, 54 % van de exploitatiewinst ging na belastingen naar de jonge Congolese staat. En dan tellen we de investeringen niet mee in ziekenhuizen, scholen en sociale centra voor de 22.500 werknemers.

Het kopermetaal van de toenmalige nummer drie in de wereld (315.664 ton) werd uit Katanga geëxporteerd, na plaatselijke verrijking van de ertsen tot een zuiverheidsgraad van 98 à 99 % (een prestatie die teruggaat tot 1945). Wat van dat technologische vernuft vandaag nog overblijft, is niet meer dan een schim. Oud-werknemers van de Congolese opvolger van UMHK - het staatsmijnbedrijf Gécamines - wroeten in catacomben brokken onzuivere koper- en kobalterts bij elkaar voor opkopers uit China, India, Zuid-Afrika en Europa. Zelfs de minimale toegevoegde waarde wordt tegenwoordig in het buitenland gerealiseerd. Gécamines produceert in 2005 met moeite 19.000 ton koper. Dat is minder dan in 1919, toen UMHK zijn eerste dividend uitkeerde.

De koloniale mijngroep waaruit Umicore en zijn onlangs verzelfstandigde koperdivisie Cumerio voortkomen, legde nochtans de basis van een lokale toeleveringsindustrie, gaande van de productie van machineonderdelen, over chemische ingrediënten voor de mijnindustrie tot bouw- en landbouwbedrijven. In 1966 waren er rond UMHK niet minder dan 2600 toeleveringsbedrijven. Van die fabrieken blijven meestal alleen desolate ruïnes over.

Laten we terugblikken op de pioniersjaren en hoe Belgen uit het niets een economisch imperium opbouwden: UMHK, een staat in de staat.

Op 17 februari 1892 wikkelde de Gentenaar Jules Cornet de eerste stukjes kopererts in La Gazette (de krant die hij de dag van zijn vertrek uit België, 18 mei 1891, had meegebracht) om ze in Brussel te laten analyseren. "Prijs van het koper: 145 frank voor 100 kilogram," schreef hij in zijn notaboekje. Samen met Emile Francqui, gewezen Belgisch consul in Sjanghai en medebouwer aan de spoorlijn Peking-Hawkou, was Cornet aangeworven door de Compagnie du Katanga van Leopold II. Zij waren de echte oprichters van UMHK.

Cornet leverde fenomenaal werk door de geologische rijkdom van Katanga in kaart te brengen. Francqui, later de nummer één van de Generale, was de uit zuidelijk Afrika oprukkende Britten te snel afgeweest. Nadat een vorige Belgische expeditie in december 1891 keizer M'Siri had vermoord, had Francqui de definitieve Belgische bezetting van Katanga beslecht. Al voor de komst van de blanken produceerde M'Siri's Bayeke-rijk jaarlijks tien à vijftien ton koper (700 ton in de tweede helft van de achttiende eeuw). Het rode metaal werd zelfs geëxporteerd en door Nederlandse zeevaarders 2000 kilometer verder langs de Atlantische kust opgekocht.

Op 28 oktober 1906 richtte Leopold II de Union Minière du Haut Katanga op. Het was een 50/50-fusie tussen het Britse Tanganyika Concessions Ltd. (TCL) van de Britse imperiumbouwer Cecil Rhodes en de Generale Maatschappij van België. De Katangese Far West was aanvankelijk zeer British , helemaal afgestemd op zuidelijk Afrika. De eerste krant, L'Etoile du Congo, publiceerde in het Engels, Frans en het Nederlands. Mijnuitrusting deed er een heel jaar over om met ossenkarren vanuit de Angolese havenstad Lobito (de kortste weg naar de Katangese mijnen) aangevoerd te worden, en omgekeerd voor de eerste goud- en koperertsen met bestemming Hoboken. De pioniers behielpen zich met fietsen en in 1913 rolden de eerste locomobielen (treinen) tussen de mijnen.

Jean Jadot, voorzitter van de Generale Maatschappij van 1913 tot 1932, maakte snel een einde aan de dubbele Brits-Belgische leiding van UMHK. TCL zou wel tot het einde van de rit in 1966 een trouwe (minderheids)aandeelhouder blijven, maar het commando verschoof van Londen naar Brussel. Jadot maakte na de eerste pioniersjaren werk van industriële verticale integratie. De man wist van aanpakken, want had in Caïro Belgische trams doen rijden, in China spoorwegen aangelegd en daarna de Braziliaanse kolen- en koperproductie op gang getrokken.

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog ging UMHK door zijn eerste crisis. De koperproductie, die in 1917 was opgelopen tot 27.500 ton, was door een dalende wereldvraag zodanig geslonken, dat de directie in Brussel ernstig overwoog om, in navolging van de overige wereldproducenten, de mijnen dicht te gooien. De Kortrijkzaan Edgar Sengier, door Jadot als crisismanager uitgestuurd om de schade op te meten, besliste echter radicaal het omgekeerde: hij verdubbelde de productie. En zo werd UMHK in 1922 de grootste koperproducent ter wereld. Sinds 1913 was het al nummer één in kobaltwinning. Jadot steunde de gok van zijn 32-jarige poulain , die hij had leren appreciëren in China. Samen zouden ze UMHK in een hogere versnelling brengen.

In 1919 richtte Jadot in Hoboken een modern metallurgisch bedrijf op voor de raffinage van de Katangese koper- en kobaltertsen, en hij stichtte de Société Générale des Minerais voor de wereldwijde commercialisering ervan. De ene kapitaalverhoging volgde na de andere, nieuwe mijnen werden aangeboord en de vraag naar koper surfte op de expansie van elektriciteit. Maar in 1922 stortte de vraag weer in. En opnieuw roeide Sengier tegen de stroom op: hij verdubbelde dat jaar de productie tot 43.400 ton. De uraniumhoudende ertsen uit Shinkolobwe waren een meevaller voor de cyclische kopermarkt. In Katanga werden hydro-elektrische stuwdammen en centrales gebouwd om steeds meer mijnen en fabrieken draaiende te houden.

Het maatschappelijk kapitaal steeg naar 4,5 miljoen euro in 1926, dat ook om sociale redenen een scharnierjaar was: "UMHK onderscheidt zich van andere mijnbedrijven in Afrika door een bewust beleid van sociale verheffing van zijn Afrikaanse werknemers," schrijft Greg Lanning in Africa Undermined , een kritisch boek uit 1979 over de mijnuitbating. Alleen op het managementniveau bleef UMHK schromelijk in gebreke: in 1966 waren er slechts 251 Congolese kaderleden, tegen 1212 Europeanen. Een zwarte bladzijde in dat paternalistische personeelsbeleid was het bloedbad van Elisabethstad (Lubumbashi), toen op 9 december 1941 het leger zestig stakers neerschoot.

De beurscrash van 1929 veroorzaakte opnieuw een implosie. De koperproductie zakte van 139.000 ton in 1930 naar 54.000 ton in 1932. Aan het station van Elisabethstad stonden honderden achtergelaten auto's van ontslagen blanke werknemers die naar België terugkeerden via de nieuwe Benguela-spoorweg naar de havenstad Lobito. Maar in 1934 draaide de machine alweer op volle toeren en de winst van UMHK steeg van 2,5 miljoen euro in 1935 naar 10 miljoen in 1939. Het kapitaal klom naar 7,5 miljoen euro.

Tussen 1940 en 1944 verscheepte Edgar Sengier, na geheime onderhandelingen met de Amerikanen, 4.000 ton uraniumerts naar New York. UMHK leverde 75 % van het benodigde uranium voor het Manhattan-project, dat uitmondde in de atoombom op Hiroshima. Tijdens en vooral na de oorlogsjaren bracht UMHK in Katanga een sterke economische boom teweeg. Naast elektriciteitscentrales en stuwdammen, nieuwe mijnen met bijbehorende steden en sociale woningen voor het personeel, scholen, ziekenhuizen en sportcentra, diversifieert het mijnbedrijf in de meest uiteenlopende toeleveringsbedrijven, van cement tot landbouw. De befaamde Britse Afrika-kenner, Basil Davidson, loofde UMHK omdat het "de wieg is van een beloftevolle industrialisatie in het hart van Afrika".

Bij de vijftigste verjaardag in 1956 realiseerde de groep een omzet van 350 miljoen euro, telde ze 22.490 werknemers voor een jaarproductie van 250.000 ton koper en 9000 ton kobalt. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg 200 miljoen euro en het aandeelhouderschap behoorde voor 46 % tot de Generale Maatschappij, TCL, de Belgische staat en Compagnie du Katanga. De rest was in handen van kleine beleggers op de Brusselse beurs. Het ging UMHK voor de wind: een investeringsplan, gespreid over twaalf jaar, moest de koperproductie opdrijven tot 400.000 ton. In Kolwezi startte een fabriek voor germanium (gebruikt in transistorradio's) dat verder verfijnd werd in Hoboken. In Luilu werd de modernste hydrometallurgische fabriek ter wereld gebouwd, die in productie ging... enkele weken voor de onafhankelijkheid van Congo op 30 juni 1960. En net voor de Katangese afscheiding op 11 juli van hetzelfde jaar.

Nadat de koperprovincie haar onafhankelijkheid had uitgeroepen, stortte UMHK zijn belastingen niet langer in de Congolese staatskas. UMHK schikte zich gewillig naar de nieuwe autoriteiten. De installaties werden beschadigd door bombardementen van de Verenigde Naties, en toen het einde van de secessie in zicht kwam, klopte de UMHK-directie met hangende pootjes opnieuw aan bij de Congolese centrale regering. Maar helemaal goed kwam het niet meer. In 1964 nam uitgerekend de vroegere president van Katanga, Moise Tsjombe, intussen eerste minister van Congo, maatregelen die veel weg hadden van een verkapte nationalisatie van UMHK. Maar Brussel kon de schade beperken.

Toen in 1965 generaal Joseph-Désiré Mobutu aan de macht kwam en gedreven door nationalistische opwellingen de belastingdruk op UMHK verdubbelde, liepen de spanningen op. De mijngroep had, zonder de Congolese overheid te verwittigen, eenzijdig de koperprijs verhoogd. De Congolese staat was intussen met 17,95 % wel de belangrijkste individuele aandeelhouder geworden. TCL bezat 14,47 % en Compagnie du Katanga en de Generale respectievelijk 8,95 en 4,64 %.

Op 31 december 1966 decreteerde Mobutu de nationalisatie van UMHK. Wederzijdse verwijten, verzoeningspogingen en lange palavers die daarop volgden, mochten niet meer baten. UMHK, omgedoopt tot Union Minière, plooide zich terug op Brussel en zocht nieuwe uitwegen.

Het uitzonderlijke Afrikaanse epos van Union Minière had wellicht anders kunnen eindigen (zie kader: De boycot van Brussel ). In de Brusselse salons van de Generale Maatschappij huisden geen visionaire geesten meer als Jadot & co. Dubbelspel tijdens de Katangese afscheidingsoorlog en krampachtige kortzichtigheid tegenover de nationalistische opwellingen in Congo, zetten een definitief punt achter het Belgische industrialisatie-epos in Centraal-Afrika. Ngo's en ontwikkelingshelpers namen het over van de visionairs.

© Trends - Erik Bruyland, 06.10.05

< Terug